Ik speel Beethoven en denk aan mijn grote broer. Mijn broer die tien jaar geleden overleed. Ik hoor hém spelen. Hij zit achter onze zwarte piano, de glanzende zachte Schimmel, de familiepiano die ons liefhad en ons allemaal aanvaardde precies zoals we waren. Deze piano staat nu hier, in mijn woonkamer.
Shuki, mijn broer - die tien jaar ouder was dan ik - was mij natuurlijk in alles voor. Hij speelde ingewikkelde klassieke stukken lang voordat ik dat kon, hij speelde ook Beatles op de gitaar lang voordat ik dat kon, hij begon met roken en blowen en werd rebels jaren voor mij. Hij was mijn levensgids.
En deze gids raakte de weg kwijt. Hoe moeilijk was het voor mij als jonger zusje dat haar jeugdheld aanbad – zijn wijsheid en talenten, zijn verfijnde bizarre humor, zijn glimlach; overigens de allermooiste ter wereld – om zijn verdwalen te aanvaarden. Hoe verraden voelde ik me toen hij zich verwijderde, hoeveel schuld voelde ik, hoeveel woede, hoeveel verdriet. Na zijn overlijden kwam de tragedie van zijn leven in volle omvang aan het licht. En opnieuw was er verdriet, en opnieuw schuld, en opnieuw…
Vorige maand, in de aanloop naar zijn tiende sterfdag, sprak ik een vroegere vriendin van hem – een van zijn vele exen met wie ik een bijzondere band had - en deelde mijn tegenstrijdige gevoelens. Vooral vroeg ik me af: hoe ga ik opnieuw om met deze oude-opnieuw opgekomen pijn? Alles rondom Shuki voelde als een massieve klomp pijn in mijn buik die maar niet wilde oplossen. De vriendin suggereerde een verzameling foto's en herinneringen te maken en die te delen met familie en vrienden. Zo konden ook anderen een bijdrage leveren en zou ik er misschien minder alleen in voelen. De klomp in mijn buik loste niet op maar ik begon aan de taak; ik hoopte dat deze methode mij de ruimte zou geven om mijn broer te herdenken en tegelijkertijd tegen de pijn zou beschermen.
De impact van het maken van de collectie verraste mij. In plaats van nachtmerries kwamen er ‘s nachts mooie beelden van Shuki in me op. Lieve, leuke Shuki; zes, zeven, acht jaar oud in Michigan, in de tuin, in de sneeuw, op het ijs, schaatsend, een bal gooiend, hoepels rollend langs zijn armen. Negen en tien jaar oude Shuki met een bril en een baby zusje. En ook latere foto's: achter de piano, op de bank, lachend naar een bekende, met mij, met onze ouders - afzonderlijk en heel soms samen. Zelfs als het hem moeite kostte om te lachen, zag ik plotseling zachtheid, zag ik zijn natuurlijke tederheid achter de moeilijkheden. En zo werd ik omhuld door warmte: de oude foto's, de momenten uit ons leven van vroeger, straalden deze uit.
Shuki als baby in Jeruzalem in de jaren vijftig, Shuki in Michigan in de jaren zestig, en weer terug in Jeruzalem in de jaren zeventig, op de middelbare school, in het leger, met mij op het balkon, in uniform, op een brommer, met een vriend, op de bruiloft van onze geliefde nicht, met oma en opa…
Iemand schreef mij over de fotoverzameling: "Je ziet een familie." Ik vond dat mooi. In plaats van zoals gewoonlijk vanbinnen in verzet te gaan en te denken: “Ja, maar er was helemaal geen familie, er was alleen pijn, verdeeldheid en frustratie”, dacht ik nu: “Misschien is dat toch waar”. Ik liet deze gedachte toe en toen ik opnieuw Beethoven speelde, voelde ik dat ook in mijn lijf.
--
Ik speel de Mondscheinsonate en hoor mijn broer het eerste bekende deel spelen: langzaam en geconcentreerd, doordrenkt met schoonheid. Dit deel hoorde altijd al bij hem, hij speelde het zo vaak. Wat mij nu verrast is dat wanneer ik de andere delen speel - het lieve middelste deel en het snelle, technische derde deel - ik dan ook een sterke connectie met hem voel. Én met mijn moeder.
Want ook onze moeder speelde en luisterde graag naar de pianosonates van Beethoven. Dit feit zorgde bij mij jarenlang voor een ambivalente houding tegenover die muziek. Er zat onbewust een onlosmakelijke verbinding tussen die muziek en mijn ouderlijk huis, dat huis waar mijn complexe jeugd zich heeft afgespeeld, waar ik mij steeds moest beschermen tegen emotionele onveiligheid. De emotionele Beethoven met zijn extreme ‘highs and lows’ symboliseerde voor mij misschien de ongrijpbare wereld om mij heen.
Maar de laatste jaren ben ik deze stukken opnieuw gaan verkennen en spelen. Door een ander perspectief te hebben gekregen op mijn jeugd, meer begrip en acceptatie, krijgt deze muziek ook een nieuwe lading. Ik ontdek dat delen die ik vroeger emotioneel ‘bij de volwassen wereld’ vond horen en bovendien technisch onmogelijk, nu relatief eenvoudig voor me zijn. Ik overwin de techniek, de muziek vloeit als vanzelf en ik sta versteld: waarom dacht ik toch altijd dat dit onmogelijk was? Op die momenten wordt de Beethoven van mijn broer en van mijn moeder juist een bron van intuïtieve kennis en zelfs van warmte. Ja, misschien zelfs van liefde en dankbaarheid jegens hen.
Nava Benyamini, februari 2025
Meer over onze piano kun je hier lezen.