Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Nava Benyamini. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nava Benyamini. Alle posts tonen

dinsdag 19 augustus 2025

Ik huil om Gaza

Op de klaagmuur geschreven en meteen gewist: 'Er is Shoa in Gaza'

 

 

Voorwoordje

 

Ik schrijf en weet niet zo of ik het goed heb. Want, ben ik niet ontzettend naïef? Eerlijk gezegd begrijp ik mijzelf niet goed: wat beweegt mij om zo graag te willen opkomen voor de Palestijnen? Is het schuldgevoel? Is het mijn afkeer van het hele concept van ‘wij’, of  in mijn geval het ‘wij de Joodse zionistisch Israëliërs’? Weet ik eigenlijk wel waar ik het over heb? Net als iedereen word ik geïnformeerd door de media, maar ik hoor ook direct van mijn vrienden en familie in Israël. Daarnaast bezoek ik sociale media, lees ik artikelen en luister ik naar interviews en naar podcasts. Maar zit ik dan niet in een eigen nis? 

 

Jazeker wel, mijn nis bestaat onder andere uit organisaties die zich sterk maken voor vrede en voor samenwerking tussen Palestijnen en Joden, uit actievoerders die het dienen in Gaza ontmoedigen, uit mensen die met lege pannen in stilte midden in Tel Aviv staan te demonstreren tegen de hongersnood en andere die dagelijks rapporteren over kinderen en andere onschuldige slachtoffers in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever, uit groepen die massaal de straten op gaan en de regering Netanyahu verafschuwen. 

 

Ik probeer het Palestijnse verhaal te begrijpen. Het raakt mij. Maar is de realiteit niet veel genuanceerder? Hoe zit het met Hamas? Het zijn geen lieverdjes, het zijn geen vrijheidsstrijders, ze geven niet om het volk. Wat beweegt ze? En in mijn land, is iedereen die niet per se vriendjes wil worden met het Palestijnse volk ook meteen een schurk? Zo zijn er meer nuances te bedenken. Ik vrees dat deze complexiteit in mijn schrijven niet doorschemert. Ik denk veel na over de situatie en kan mij er moeilijk van losmaken. Al een tijd wil ik er iets overs schrijven, maar het wil geen vorm aannemen. Nu kwam er gisteren een soort visioen in mij op, misschien is het meer een gedicht, een beeld, een droom.

 

Ik huil om Gaza

 

Naarmate de dagen verstrijken, de weken, de maanden, de jaren, wordt Gaza steeds onzichtbaarder. Steeds moeilijker is het om haar toch al bleke gestalte - want ja, waar is dat eigenlijk, en wie woont daar überhaupt - te onderscheiden. Deze dagen ervaar ik Gaza als een ver, onbekend maar dierbaar familielid. Want ik heb zoveel over haar gehoord en ondanks de afstand geprobeerd naar haar stem te luisteren. Ik weet dat ze er slecht aan toe is, dat ze aan een wrede ziekte lijdt. Af en toe bereikt een hulpkreet me, foto's van zieke, hongerige, wanhopige kinderen die niet begrijpen hoe dit allemaal heeft kunnen gebeuren.

Ook ik begrijp niet hoe dit allemaal heeft kunnen gebeuren en mijn hart huilt.


Mijn hart, dat nog maar pas genezen is van de gevolgen van een andere oorlog waarin de generatie boven mij werd vermoord, verbrand, uitgehongerd, tot slachtvee gemaakt, gedehumaniseerd. Mijn hart begrijpt het niet: hoe en waarom? Hoe kunnen mijn eigen volksgenoten zulke moorden plegen, uithongering toestaan? Hoe kunnen onze kinderen, de soldaten, deelnemen aan dit wrede toneelstuk waar losgeslagen sadisme de hoofdrol is gaan spelen?

 

Ik studeer Arabisch en probeer de laatste tijd getuigenissen en verhalen te lezen. Ik lees en luister naar stemmen uit Gaza, uit de Westelijke Jordaanoever en naar verhalen van Arabische Israëliërs. De taal brengt mij wat dichter bij hun cultuur en hun geschiedenis en helpt mij meer begrip te ontwikkelen. Want naast dit volk, zo vlak voorbij de grens, heb ik jaren gewoond. Ik wil leren en de feiten kennen. Altijd al had ik gevoeld en intuïtief geweten dat wij gehersenspoeld werden en dat het zionisme en de Joodse aanwezigheid in Palestina ten koste zijn gegaan van de oorspronkelijke bewoners. Maar wat er vandaag de dag gebeurt laat de façade volledig instorten. Het heeft geen zin meer om de Nakba[1]  te ontkennen: we moeten de Palestijnen het recht op terugkeer geven, we moeten ze ademruimte geven, rechten, een volwaardig leven.

 

Mijn verstand beseft dat de geschiedenis zich herhaalt en dat de mens onderworpen is aan lage driften die, wanneer de omstandigheden een snelkookpan worden, tot uitbarsting komen. Ik weet dat het goede geen kans maakt tegen de woeste meerderheid in een tijd waarin het kwaad heerst. Ik begrijp dat het moeilijk is om jezelf in de spiegel aan te kijken en je voor te stellen dat misschien jij het mis hebt. Dat misschien jij – en de samenleving waarin je leeft – het ergste is overkomen: je bent blind geworden voor jezelf. Zonder dat je het doorhad ben je besmet geraakt met haat jegens de ander. Haat die zomaar binnensijpelde, via de opvoeding, met de paplepel. Het is moeilijk om uit je comfortzone te stappen en pijnlijke, moeilijke vragen te gaan stellen.

 

Maar mijn hart huilt en ik aanschouw een gruwelvisioen dat ik niet kan stoppen. Van ver hoor ik Gaza fluisteren – ze heeft geen kracht meer om geluid te maken. Kruipend over de brandende aarde smeekt ze om een druppel water, een kruimel voedsel, een sprankje hoop. In het visioen heerst totale machteloosheid: ze is niet meer te redden. Ze is terminaal ziek en zal spoedig sterven. En het Palestijnse volk, dat gedurende honderd jaar zionisme in het land Israël telkens weer een stukje heeft moeten opgeven – het land, hun rechten, hun leefruimte – dat volk lijkt ook te verpulveren. Niemand staat voor ze op, niemand kan ze redden, niet van binnenuit noch van buitenaf.

 

En toch – stel je voor dat er vrede was. Stel je voor dat alle partijen de wapens neer zouden leggen, dat al dat macho-ego zou vervagen. Wat een ademruimte zou er komen. Ik zie ons, de vrouwen, elkaar ontmoeten en begroeten. We zouden elkaar omhelzen, samen lachen, huilen, praten, zingen, creëren, liefde en hoop om ons heen verspreiden. Dan zouden jij en jij en ik samen kijken naar de zonsondergang op het strand van Gaza of van Tel Aviv, we zouden wandelen door Jeruzalem, Akko of Jaffa. Jij zou me vertellen over de oude huissleutel van je grootouders en waar hun huis stond, waar hun land was. En ik zou vertellen over mijn grootouders, over alles wat zij hebben doorgemaakt. Samen zouden we helen. Stel je voor. Stel je voor.

 

Nava Benyamini 16-08-2025

 

 



[1] Nakba – letterlijk ‘De ramp’, is de Arabische benaming voor de confrontaties tussen Joden en Palestijnen rond de stichting van de staat Israël. In die periode werd een groot deel van het Palestijnse volk ontheemd. In Israël heerst een heel ander narratief over deze gebeurtenissen.

 


vrijdag 21 februari 2025

Beethoven

 

1970

Ik speel Beethoven en denk aan mijn grote broer. Mijn broer die tien jaar geleden overleed. Ik hoor hém spelen. Hij zit achter onze zwarte piano, de glanzende zachte Schimmel, de familiepiano die ons liefhad en ons allemaal aanvaardde precies zoals we waren. Deze piano staat nu hier, in mijn woonkamer.

Shuki, mijn broer - die tien jaar ouder was dan ik - was mij natuurlijk in alles voor. Hij speelde ingewikkelde klassieke stukken lang voordat ik dat kon, hij speelde ook Beatles op de gitaar lang voordat ik dat kon, hij begon met roken en blowen en werd rebels jaren voor mij. Hij was mijn levensgids.

En deze gids raakte de weg kwijt. Hoe moeilijk was het voor mij als jonger zusje dat haar jeugdheld aanbad – zijn wijsheid en talenten, zijn verfijnde bizarre humor, zijn glimlach; overigens de allermooiste ter wereld – om zijn verdwalen te aanvaarden. Hoe verraden voelde ik me toen hij zich verwijderde, hoeveel schuld voelde ik, hoeveel woede, hoeveel verdriet. Na zijn overlijden kwam de tragedie van zijn leven in volle omvang aan het licht. En opnieuw was er verdriet, en opnieuw schuld, en opnieuw…

Vorige maand, in de aanloop naar zijn tiende sterfdag, sprak ik een vroegere vriendin van hem – een van zijn vele exen met wie ik een bijzondere band had - en deelde mijn tegenstrijdige gevoelens. Vooral vroeg ik me af: hoe ga ik opnieuw om met deze oude-opnieuw opgekomen pijn? Alles rondom Shuki voelde als een massieve klomp pijn in mijn buik die maar niet wilde oplossen. De vriendin suggereerde een verzameling foto's en herinneringen te maken en die te delen met familie en vrienden. Zo konden ook anderen een bijdrage leveren en zou ik er misschien minder alleen in voelen. De klomp in mijn buik loste niet op maar ik begon aan de taak; ik hoopte dat deze methode mij de ruimte zou geven om mijn broer te herdenken en tegelijkertijd tegen de pijn zou beschermen.

De impact van het maken van de collectie verraste mij. In plaats van nachtmerries kwamen er ‘s nachts mooie beelden van Shuki in me op. Lieve, leuke Shuki; zes, zeven, acht jaar oud in Michigan, in de tuin, in de sneeuw, op het ijs, schaatsend, een bal gooiend, hoepels rollend langs zijn armen. Negen en tien jaar oude Shuki met een bril en een baby zusje. En ook latere foto's: achter de piano, op de bank, lachend naar een bekende, met mij, met onze ouders - afzonderlijk en heel soms samen. Zelfs als het hem moeite kostte om te lachen, zag ik plotseling zachtheid, zag ik zijn natuurlijke tederheid achter de moeilijkheden. En zo werd ik omhuld door warmte: de oude foto's, de momenten uit ons leven van vroeger, straalden deze uit.

Shuki als baby in Jeruzalem in de jaren vijftig, Shuki in Michigan in de jaren zestig, en weer terug in Jeruzalem in de jaren zeventig, op de middelbare school, in het leger, met mij op het balkon, in uniform, op een brommer, met een vriend, op de bruiloft van onze geliefde nicht, met oma en opa…

Iemand schreef mij over de fotoverzameling: "Je ziet een familie." Ik vond dat mooi. In plaats van zoals gewoonlijk vanbinnen in verzet te gaan en te denken: “Ja, maar er was helemaal geen familie, er was alleen pijn, verdeeldheid en frustratie”, dacht ik nu: “Misschien is dat toch waar”. Ik liet deze gedachte toe en toen ik opnieuw Beethoven speelde, voelde ik dat ook in mijn lijf.

--

Ik speel de Mondscheinsonate en hoor mijn broer het eerste bekende deel spelen: langzaam en geconcentreerd, doordrenkt met schoonheid. Dit deel hoorde altijd al bij hem, hij speelde het zo vaak. Wat mij nu verrast is dat wanneer ik de andere delen speel - het lieve middelste deel en het snelle, technische derde deel - ik dan ook een sterke connectie met hem voel. Én met mijn moeder.

Want ook onze moeder speelde en luisterde graag naar de pianosonates van Beethoven. Dit feit zorgde bij mij jarenlang voor een ambivalente houding tegenover die muziek. Er zat onbewust een onlosmakelijke verbinding tussen die muziek en mijn ouderlijk huis, dat huis waar mijn complexe jeugd zich heeft afgespeeld, waar ik mij steeds moest beschermen tegen emotionele onveiligheid. De emotionele Beethoven met zijn extreme ‘highs and lows’ symboliseerde voor mij misschien de ongrijpbare wereld om mij heen.

Maar de laatste jaren ben ik deze stukken opnieuw gaan verkennen en spelen. Door een ander perspectief te hebben gekregen op mijn jeugd, meer begrip en acceptatie, krijgt deze muziek ook een nieuwe lading. Ik ontdek dat delen die ik vroeger emotioneel ‘bij de volwassen wereld’ vond horen en bovendien technisch onmogelijk, nu relatief eenvoudig voor me zijn. Ik overwin de techniek, de muziek vloeit als vanzelf en ik sta versteld: waarom dacht ik toch altijd dat dit onmogelijk was? Op die momenten wordt de Beethoven van mijn broer en van mijn moeder juist een bron van intuïtieve kennis en zelfs van warmte. Ja, misschien zelfs van liefde en dankbaarheid jegens hen.


Nava Benyamini, februari 2025

Meer over onze piano kun je hier lezen.

De fotocollectie kun je hier bekijken.  



dinsdag 7 januari 2025

Om antwoord te geven op jullie vragen

Hier zijn enkele vragen en opmerkingen die ik kreeg nadat ik mijn kennissen een “Shabbat Shalom” had gewenst. Dit gebeurde een dag na de confrontaties tussen heethoofden onder de vlag van steun aan Palestina en heethoofden onder de vlag van Maccabi Tel Aviv, die naar hartenlust door de straten van Amsterdam raasden. 


Ik heb in het Hebreeuws via mijn blog gereageerd. Hierbij de vertaling.


Vraag: “Hoe is het daar in Nederland met al die moslims?”


Mijn antwoord: Bedankt voor je interesse.; in mijn straat bijvoorbeeld wonen, naast Nederlanders en veel Oost-Europeanen, veel Turkse gastarbeiders van de eerste generatie uit de jaren ’70 en hun nakomelingen. Met hen heb ik een prima contact . Het zijn over het algemeen rustige, beleefde mensen die eenvoudig leven, hard werken en elke zomer naar Turkije reizen. Ik waardeer hun gemeenschapszin. Aan de andere kant hebben vooral de oudere vrouwen zich niet zo geïntegreerd in de Nederlandse samenleving, maar wie stoort dat? Ze bakken koekjes en andere lekkernijen en delen die uit aan de buren. Soms brengen ze tomaten van een overvloedige oogst, of appels van de boom in de tuin. 


De afgelopen jaren zijn er enkele jonge gezinnen van Syrische vluchtelingen bijgekomen. Aardige mensen die niet klagen, wat opmerkelijk is gezien wat ze hebben meegemaakt. Af en toe help ik hun kinderen met het leren van de Nederlandse taal, of ze komen gewoon langs om piano te spelen (maar dat heeft niets te maken met land van herkomst).


Verder ondersteun ik al zeven jaar een Syrisch gezin. Echt geweldige mensen en een bijzondere, leerzame ervaring. Daarover heb ik eerder geschreven en is hier te lezen.


Vraag: “Voelen jullie je als blanke inwoners niet bedreigd door al die moslims?”


Mijn antwoord: Ik weet niet wie “jullie” zijn, dus ik zal antwoorden als “ik”: nee. In deze vraag hierboven zitten allerlei aannames verborgen die me doen huiveren. Wat betekent “al die moslims”? Ik ken ze niet allemaal. En “blanke inwoners” – nog meer kriebels. Moet ik echt uitleggen waarom?


Vraag: “Hoe zit het in Nederland met de anti-Israëlische houding?”


Mijn antwoord: Voor zover ik weet, steunt de populistische rechtse partij die hier aan de macht is – een groep xenofobe, homofobe klimaatontkenners met meer van de bekrompen opvattingen – niet alleen Trump, maar ook Israël. Goed gezelschap, toch?


Vraag: “Zijn er nieuwe moskeeën in Nederland?”


Mijn antwoord: Is dat een serieuze vraag? Ik heb geen idee.


Opmerking: “Ik haat de islam die Europa langzaam verovert.”


Mijn reactie: Sorry, maar dit keer doe ik niet mee met het slachtoffer festijn . Geniet ervan.


Opmerking: “Ik heb geen greintje medelijden met hen. Niet met hun verleden en niet met hun heden. Helemaal niets. Alleen met onze mensen. Wij, als Joden en Israëli’s.”


Mijn reactie: Alleen onszelf en “onze mensen” liefhebben is iets wat ik totaal niet begrijp. Ik heb nooit gehouden van het “wij”. Ik ben ervan overtuigd dat het gevaarlijk is om groepen over één kam te scheren, en dat we er alles aan moeten doen om de ander te zien en te begrijpen, vooral als die anders is dan wij. Ik realiseer me dat we allemaal, inclusief ikzelf, een natuurlijke neiging tot racisme en afkeer van het onbekende in ons dragen. Juist daarom probeer ik mensen als individuen te blijven zien en termen als “zij” en “wij” te vermijden.


En verder: geen medelijden? Het is natuurlijk makkelijker om alleen te houden van wie op je lijkt, maar wat is er gebeurd met mindfulness en de boeddhistische waarden die we geleerd hebben? Zoals acceptatie en non/harming ? Ben je vergeten dat haat een vuurbal is dat, zodra je het op iemand richt, ook jouzelf verbrandt?


Opmerking: “Ze haten ons, en nu beleven we weer de Kristallnacht.”


Mijn reactie: Israël moet, nu het volwassen is, beslissen wie ze wil zijn. Wil ze een moderne staat zijn, “een land zoals alle andere”, waar de Jood niet wordt gezien als afwijkend, maar met opgeheven hoofd en trots door het leven gaat? (Was dat niet de bedoeling van het zionisme?) Of wil ze een land zijn dat zichzelf definieert door het oude beeld van de gebogen, geslagen Jood en het antisemitisme van de vooroorlogse Oost-Europa?


@Israël: Je kunt niet beide tegelijkertijd zijn of van identiteit zomaar wisselen wanneer het je uitkomt. Je bent ofwel een moderne, welvarende staat met een sterk leger, ofwel een groep vervolgde Joden. Jij mag het zeggen.


-


Ik begrijp eerlijk gezegd niet zo goed hoe volwassen, hooggeschoolde mensen zulke vragen kunnen stellen en dergelijke opmerkingen kunnen maken. Hoe kan het toch dat er onder ons, of op z’n minst binnen mijn “verlichte” kennissenkring, geen algemene overeenstemming is over basiswaarden zoals menselijkheid en respect? 


En ja, natuurlijk zitten die er ook bij.  En anderen die mij gewoon Shabbat Shalom teruggewenste. 


-


Tot slot:

Een dag later leidde ik onze tweewekelijkse meditatieavond. Er waren drie nieuwe deelnemers: een moeder, een vader en hun volwassen dochter. Na de stilte, het zitten en het lopen, dronken we samen een kopje thee en wisselden de ervaring van de avond uit. Al snel bleek, zoals vaak, dat de meesten aan het begin van de avond  onrust hadden ervaren - iets wat meestal gaandeweg de meditatie tot bedaren komt. Wat mij verraste, was dat die onrust dit keer bij iedereen verband hield met de oorlog tussen Israël en de Palestijnen en uiteraard met de gebeurtenissen in Amsterdam vorige week. 


 Net als veel van mijn Nederlandse vrienden en kennissen, spraken zij hun afkeer uit over het mengen van het begrip antisemitisme met de huidige gebeurtenissen. Ze kennen de feiten van de Holocaust, steunden Israël in haar beginjaren, werkten in de jaren ’70 als vrijwilligers in kibboetsen, maar zijn geleidelijk gestopt met het geven van onvoorwaardelijke steun aan Israël. Ze veroordelen Israëls gedrag tegenover de Palestijnen, net zoals ze elk ander vorm van geweld veroordelen. Het zijn mensen die van vrede en van mensen houden.


-


Het enige dat we kunnen doen om de wereld enigszins te verbeteren, is compassie ontwikkelen. Naar onszelf en onze emoties kijken, daar wijs mee omgaan, de ander zien, en de universele menselijke overeenkomsten erkennen: we zijn allemaal levende wezens die voedsel, onderdak, water, lucht, liefde, begrip, aanraking, contact en communicatie nodig hebben. Als kind van de tweede generatie na de Holocaust heb ik me altijd afgevraagd: “wat zou ik hebben gedaan?” Daardoor voel ik de plicht om de waarheid onder ogen te zien - de vernedering en het moorden - en mijn stem te laten horen.


Ik blijf hopen en wensen, simpelweg omdat er niets anders te verlangen valt:


Dat er vrede mag zijn. 

Van binnen, van buiten, overal waar mogelijk.


Nava Benyamini © 12.11.2024 Dordrecht, Nederland

dinsdag 6 november 2018

De piano



Nu heb ik mijn piano uit Israël laten komen. Mijn piano. Het is niet zomaar een voorwerp. Hij is een persoonlijkheid, met een eigen karakter, emoties en geschiedenis. Mijn Schimmel, de zwarte, de glimmende.

Hij is aan het begin van de jaren zestig ergens in Duitsland geboren en in het jaar 1964 hebben mijn ouders hem in Michigan gekocht, net voordat ze terug naar Israël gingen. Wat mij niet helemaal duidelijk is of hij eerst een tijdje bij het gezin in Michigan woonde of, wat toch logischer lijkt, direct, nog nieuw in verpakking, naar Israël is verscheept. Op de foto's uit de periode in Amerika zie je een andere, een voor mij onbekende bruine piano. Maar vanaf de allereerste foto uit Israël zie je alleen maar hem. De Schimmel.

We hebben er allemaal op gespeeld. Mijn moeder, want zij studeerde, bij wijze van inhaalslag, piano in de jaren na de oorlog in Rome, zo rond haar negentiende, twintigste, en bleef nog altijd haar spel bijhouden door af en toe met gevoel de eerste Nocturne van Chopin ten gehore te brengen, of de beruchte Hanon etudes energiek te herhalen. En Shuki natuurlijk, die jarenlang les had gehad, maar later op gitaar overstapte en die, behalve klassieke stukken, ook liedjes van de Beatles op beide instrumenten kon spelen en nog meer dingen die ik me maar vaag kan herinneren. Want hij was eigenlijk al groot en uitgeleerd op het moment dat bij mij de bewuste herinnering pas beginnen.

Rond mijn vijfde kreeg ik voor het eerst les bij een of andere deftige 'yekke' mevrouw (Muller?), die misschien ook een tijdje de lerares van Shuki was. Ik denk me het rode beginners boek van Thompson's Preparatory te herinneren en een oude, gedrongen dame die bij ons thuis kwam en naast mij achter de Schimmel plaats nam. Ik was niet zo dol op haar en ook niet op de lessen en toen zijn ze, vanuit de gedachte dat ik nog te jong was, stopgezet. Een tweede poging werd gedaan met mijn privé lerares Engels. Eigenlijk vreemd dat ik een privé lerares had voor Engels, blijkbaar vonden ze het belangrijk om mijn beheersing van de Engelse taal uit mijn babytijd nieuw leven in te blazen. Het was een vrij zweverig figuur, jong en tenger, die eens in de week bij ons thuis kwam en met mij diverse activiteiten deed. Zij had originele/ progressieve ideeën over onderwijs, en alles aan haar voelde gemaakt. Ik herinner me ons wandelen en zitten in 'Gan Ha-Esriem', en dat ze Engels sprak met een Amerikaans accent, dat ze met behulp van kaartjes met woorden en plaatjes werkte en dat ze mij ook piano probeerde te leren spelen, want daar had ze blijkbaar ook verstand van. Maar om eerlijk te zijn, werkte dit ook niet.

En dan ineens, bij het bereiken van de respectabele leeftijd van acht jaar, ben ik naar een echte pianolerares gestuurd, met veel ervaring en een echte praktijk. Dit keer waren de lessen niet in onze woonkamer, maar bij haar thuis, twee keer in de week een half uur, zoals het hoorde. Het wonder geschiedde en ik begon te spelen. Bij Rachel Harpaz voelde piano leren heel natuurlijk en ik leerde snel en makkelijk. Zij was aardig, maar niet te, bijzonder, maar niet te, streng, maar niet te. Ik begreep wat ze mij uitlegde en voerde uit wat ik begreep, precies zoals ik lezen en schrijven had geleerd in de eerste klas. Het was voor mij vanzelfsprekend dat deze noten toonhoogtes en -lengtes representeerden. Mijn vingers voerden hetgeen uit dat mijn hoofd begreep en mijn oren hoorden de klanken die mijn vingers produceerden. Zo leerde ik en speelde ik piano en vond ik de lessen over het algemeen leuk ook. Helaas werd er verwacht dat ik thuis zou oefenen en dan veranderden de lieve muziekstukjes in een keer in enge monsters. Het onderwerp 'oefenen' werd een onuitputtelijke bron van discussies, ruzies, dreigingen, smoesjes en emotionele chantage, die voortduurden tot het einde van mijn middelbare school.

Mijn moeder ontbrak het vermogen zich niet-te-bemoeien met alles. Zij was een compulsieve bemoeial – een eigenschap die ik, tot mijn grootste spijt, van haar heb geërfd. Ze kon niet niks-zeggen, ze kon niet stil zijn en dingen hun gang laten gaan. Dus ja, onder de miljoen andere onderwerpen waar ze een mening over had zoals, hoe ik eruitzag, wat ik aantrok, met wie ik speelde, had ze over mijn pianospel ook overvloedig veel meningen, ideeën en kritiek. Op een jonge leeftijd verdroeg ik het allemaal nog redelijk rustig, maar logischerwijze, naarmate ik ouder werd, begon het steeds meer op een kleinschalige wereldoorlog te lijken.

Na ongeveer vier relatief gelukkige pianospeljaren bij Rachel – de lessen waren dicht bij huis, de sfeer was vriendelijk, het gevoel dat je nog kind bent – er is besloten (raad eens maar door wie) dat het beter zou zijn als ik naar het ‘conservatorion’ (muziekschool) zou gaan, om 'serieuzer' te leren en vooruitgang te boeken. Niemand vroeg wat ik eigenlijk wilde. In dit plotselinge besluit zaten wensen, hoop en verwachtingen in verborgen waarvan de vermoedelijke bron een of ander verleden was dat met mij en met mijn leven in mijn Bet-Ha Keremische heden niks te maken had. Aan de andere kant creëerde dat besluit een vooruitblik naar een toekomstige tijd waar ik mij tot dat moment nooit mee bezig had gehouden. Zo kreeg mijn wereld nieuwe dimensies.

Het 'conservatorion' lag in de wijk Rechavia en ik moest er met de bus, of zelfs met twee bussen, naar toe. Dat was een veel minder prettige ervaring. Ineens verdween het vertrouwde gevoel van veiligheid en bescherming. Niet meer was ik het meisje dat met haar rode pianotas de paar tientallen meters tussen thuis en het huis van de lerares vrolijk huppelde – linksaf de heuvel op, de Ha-Gai straat uit, tot aan de hoek waar je de trap op kon om gelijk naar Ha-Chaloets door te steken, weer linksaf en na vijf, zes huizen was ik er, nog een paar stenen treden, door de voortuin, een trappenhuis, gelijk aan het onze, om bij de voordeur te komen. Dit alles verdween en in een keer was ik een pre-pubermeisje dat de grote wereld werd ingeduwd, dat geconfronteerd werd met blikken, stemmen en geuren van, en contact met en tussen vele vreemden die gepropt zaten in ongemakkelijke bussen, twee keer in de week, heen en terug. Dat waren vele minuten van blootstelling aan een wereld die op de een of andere manier mij vreemd en bevreemdend voorkwam, in mijn eentje, met mijn volwassen-wordende lijf en verward-wordende geest.

Wat er nog bij kwam was het feit dat mijn nieuwe pianolerares, mevrouw Yevgenia Yarmonenko Braginsky (in het kort door Shuki 'mevrouw Bragim’ – wat mevrouw Schroeven zou betekenen - genoemd), was niet precies wat je zou noemen een kindervriend. Niet dat ze gemeen was of erg streng, ze was zelfs aardig, vooral wanneer ze met mijn moeder Russisch sprak, maar zij was uiteindelijk meer een goede en enigszins gefrustreerde pianiste dan een gepassioneerde pedagoog vol idealen over onderwijs en liefde voor de jeugd. Haar Hebreeuws kon ik min of meer verstaan, en zij dat van mij idem dito, en toch was er tussen ons een redelijk contact. Ik begreep in grote lijnen wat ze van mij verlangde en zij van haar kant gaf me zo nu en dan zelfs een compliment.

Omdat het hier Israël was en niet Rusland en de meeste Israëlische kinderen waren niet in het bijzonder opgevoed met strakke discipline en doorzettingsvermogen, moest zij met de imperfectie van een groot aantal van haar leerlingen genoegen nemen. Tot haar vreugde had ze gelukkig ook veel Russische leerlingen die echt oefenden, goed konden uitvoeren en met wie ze ongetwijfeld beter kon omgaan. De leerling voor mij bijvoorbeeld was Maya Kopytman, de dochter van. Ze was een prachtig kind met glanzend, honderd procent stijl, zwart haar, ze speelde volmaakt en sprak vloeiend Russisch. Vanzelfsprekend was ik jaloers op haar, ze speelde echt heel mooi en haar ronde Russische vingertjes gehoorzaamden haar voorbeeldig. De leerling na mij was een jongen die eruitzag als een meneer, omdat hij een soort genie was, later is hij, zoals je kon verwachten, een componist geworden. Op een dag schreef hij mij een liefdesbrief waar ik geen raad mee wist en waarna ik geen woord met hem meer uitwisselde.

Gedurende al die jaren, de kinderjaren, de pubertijd, de jaren van verwarring en zoeken speelde en leerde ik, experimenteerde en studeerde ik – dan meer en dan weer minder – 'rommelde' ik, zoals het heette wanneer ik iets zelf verzon, begeleidde ik liedjes en speelde vierhanden met Shuki op onze zwarte glimmende Schimmel. Deze in de jaren zestig geboren Duitser, die mijn moeder kocht ondanks het feit dat hij Duits was, want het is overbodig te melden dat andere Duitse producten geen voet bij ons thuis zetten, maar een piano, dat is wat anders, kom toch.

~

De Schimmel is glimmend en glinsterend vanbuiten, maar vanbinnen is hij zacht en diep. En hoewel je zijn klank toch ook als briljant zou kunnen omschrijven, is het een glans die diep vanuit zijn allerbinnenste komt, de glans van donker fluweel van hoge kwaliteit. Zijn klank is groot, resonerend, levendig, alsof hij werkelijk iets wilt uitdrukken, en tegelijkertijd is hij zachtaardig, zacht als datzelfde fluweel. Al een half jaar staat hij hier, in mijn huis in Dordrecht, in mijn pas opgeknapte woonkamer. Daar staat hij, op de mooie eikenvloer, donker en glimmend, zo knap als altijd en we zijn beiden tamelijk gelukkig.

Toen mijn moeder overleed zou Shuki de Schimmel krijgen. Ik had namelijk al een mooi instrument, de Pleyel, en hij niet. Maar Shuki, zoals Shuki, kwam niet, nam hem niet mee, reageerde ook niet op brieven en telefoontjes. Daarom is de Schimmel in bruikleen naar mijn goede vriendin Chamutal gegaan die meer dan blij was hem te gast te hebben en zo konden zij en haar muzikale kinderen er fijn gebruik van maken. Omdat in het testament stond dat na verloop van zoveel tijd de piano voor mij is, werd de wachtende piano op een dag officieel mijn eigendom. Maar gezien het feit dat ik al twee piano’s had en in Nederland woonde is de Schimmel nog tien jaar bij Chamutal blijven staan, zijn vonnis afwachtend; naar Shuki of naar mij? Jeruzalem of Dordrecht? Of misschien toch maar verkopen? Ondertussen stond hij daar fijn en vertrouwd naar ieders tevredenheid.

Na het opknappen van mijn huis in Dordrecht en de verhuizing van onze oude piano naar Amsterdam, naar Ilay toe - de lieve oude bruine Rösler was mijn eerste piano in Nederland, hij verhuisde vier keer met ons mee en was getuige van alle belangrijke veranderingen in ons leven. Op de Rösler gaf ik in de eerste jaren les, voordat ik een eigen studio had, voor de uitstekende Pleyel. Maar ook daarna hield ik ervan om juist op de Rösler Bach te spelen vanwege zijn bescheiden, intieme klank die naar mijn smaak beter bij Barokmuziek paste. Op de Rösler oefende Ilay in het enige jaar waarin hij pianoles kreeg (nee, niet van mij), en op de Rösler deed Anan zijn eerste ontdekkingen en zou hij mij (jawel, mij) tijdens autodidactische sessies dingen vragen zoals: “welk akkoord is dit precies?” of “hoe moet ik hier eigenlijk verder?”, waarna ik weer mocht gaan en hij verder zelf ging puzzelen. Op de Rösler speelden onze gasten, en de leerlingen tijdens voorspeel middagen, en natuurlijk Jelle, de oppas en huisvriend – ontstond er een een gapend gat in de gerenoveerde woonkamer. Het besluit om de Schimmel te laten overkomen was geheel niet rationeel. Financieel gezien was het een niet rendabele zaak, maar ik kon gewoon niet anders. Mijn heimwee naar mijn Schimmel heeft het gewonnen en mijn blijheid tijdens heel het proces vormde het levende bewijs dat het toch het juist besluit is geweest.

Moedig doorstond hij de lange reis. Tijdens mijn zoektocht naar een eerlijk en zo mogelijk ook sympathiek verhuisbedrijf moest hij nog even geduldig wachten. Deze zoektocht kostte mij talloze mails, telefoons en faxen, prijzen vergelijkingen, regelgevingen nalezen, contracten tekenen en zo meer van dat soort zaken. Vervolgens, moest hij door de bureaucratische procedures van de havens van zowel Haifa als van Rotterdam heen om eindelijk, op een wolkeloze dag, in een grote vrachtwagen bij mij in de straat te verschijnen. Mijn geliefde piano was aangekomen, vastgeketend aan een harde, lelijke houten frame die bij mij onaangename vermoedens deed rijzen omtrent de manier waarop hij eraan gebonden werd, de mogelijke grofheid waarmee hij was behandeld etc. De deur-tot-deur service bleek een letterlijke betekenis te hebben, tot aan de deur en dus ook geen millimeter verder; de chauffeur was van plan om hem daar neer te zetten en vervolgens meteen te verterekken. Gelukkig had ik een voorsprong van een aantal uur om mij op dit feit voor te berieden en kon twee hele sterke mannen regelen die met een enorme inspanning – het is echt een heel zwaar ding! – mijn Schimmel geholpen hebben de laatste meters richting zijn nieuwe staanplaats door te komen.

Hoewel een beetje vuil en met veel vingerafdrukken (moeder draait zich om in haar graf), met kleine krasjes en littekens hier en daar en toch gezond en wel, kwam hij binnen en nam zijn nieuwe plek in. Eerst stond hij er een beetje verlegen bij, er van niet helemaal overtuigd dat hij op het juiste adres terecht was, een beetje naakt en zich schamend om het vuil dat hij onderweg had verzameld. Na een schoonmaakbeurt en een grondige inspectie voelde hij zich al een stuk beter. Onder het vuil was hij helemaal heel, helemaal zichzelf. En het allerbelangrijkste: de klank! Zijn vertrouwde klank was voor mij direct herkenbaar en bovendien was hij niet eens ontstemd! Na tien jaar stil te hebben staan, zonder enige vorm van onderhoud en bovendien na een lange, vermoeiende reis over land en zee klonk hij gewoon fantastisch!

Missie volbracht. Nu staat hij hier en ik ben zo gelukkig als een kind. Ik loop langs hem en geef hem een aai. Ik stof hem en veeg de vingerafdrukken af (moeder lacht tevreden in haar graf). Ik praat tegen hem, herinner hem aan oude tijden. Sinds dat hij er is heb ik mijn goede Pleyel in de steek gelaten. Ondanks het feit dat hij mechanisch veel beter is, dat zijn stemming stabieler is en dat ik hem gekocht heb juist om het feit dat hij aan de Schimmel deed denken - en inderdaad, hij heeft een mooie, grote, rijke klank. Maar ik kan niet anders, ik ben verslaafd aan mijn Schimmel. Zijn zachtheid, zijn diepte, onze band, hier kan de Pleyel niet tegenop, en bovendien, de Schimmel kent alle stukken die ik vroeger heb gespeeld. Ik speel de tweede Suite van Bach in A klein – die een Ilay zo mooi vindt, misschien omdat hij in mijn buik zat in de tijd dat ik dit stuk aan het studeerden was – en zeg tegen hem: “weet je nog?” en zeker te weten, hij weet het nog.

~

In de kinderjaren was hij een soort groot lief huisdier. Hij luisterde en gehoorzaamde en gaf ook vrijgevig terug. Het mooie was dat hij ons allemaal wist te nemen zoals we waren en ons ruimhartig te weerspiegelen. Wanneer mijn moeder speelde wist hij de exacte 'Hanonhied' of 'Chopinheid' te weerklanken. Wanneer Shuki speelde werd hij veel warmer, soms een beetje jazzy, iets humoristisch of scherend. Shuki speelde de Tikwa in Jazz stijl, elk akkoord met zijn septiem, een simpele truc, werkt altijd. Wanneer ik speelde deed hij altijd zijn best. Zijn grote klank vormde nooit een teleurstelling, alleen ik stelde mijzelf voortdurend teleur. En mijn moeder natuurlijk. Omdat mijn moeder per definitie in een staat van teleur gesteldheid verkeerde moest er ook altijd iemand zijn in de rol van degene die deze staat veroorzaakte. Shuki en ik deelden de last. Mijn vader was al buitenspel, d.w.z. hij werd een vaste bron van teleurstelling, erger kon niet (behalve dan de Nazi’s, de Russen en de Litouwers). Omdat ik geacht werd om te oefenen en omdat al die verwachtingen en teleurstellingen permanent om mij en om de piano heen hingen, werd mijn relatie met de piano geleidelijk aan steeds troebeler en complexer. Ik kon zo woedend worden wanneer ik fouten maakte dat ik op hem af ging reageren en wanneer de frustratie naar mijn benen zakte, letterlijk tegen hem aan schoppen. Tegelijkertijd wist ik heel goed dat hij niet meer dan een zondebok was, een onschuldig slachtoffer, en dat ik in wezen gewoon van hem hield. Hij was een rots in de branding, een eiland van schoonheid en echtheid in de mist om mij heen, al moest hij zo nu en dan mijn leed delen. Maar een piano, als elk ander huisdier en misschien nog meer, wist zijn leed met liefde te aanvaarden.

Tijdens de middelbare school- en puberjaren stopte ik en begon ik weer om vervolgens opnieuw te beginnen en te stoppen met de lessen bij mevrouw ‘Bragim’. Het oefenen bleef een bron van conflicten tussen mij en mijn moeder, maar helemaal stoppen met spelen deed ik niet. Keer op keer keerde ik naar hem terug, naar mijn Schimmel, en zoals altijd, was hij daar voor mij, zich de oude stukken herinnerend, mijn nieuwe experimenten accepterend. Ook wanneer ik gitaar was gaan spelen en met mijn nieuwe instrument steeds meer tijd was gaan doorbrengen. Zingen en mijzelf begeleiden vond ik fijner op de gitaar. Wanneer ik mijzelf op de piano begeleidde ging mijn kleine stem in de grote klank verloren en mijn handen, die gewend waren de hoofdrol te hebben, lieten geen ruimte over voor de stem. De gitaar was bescheidener. Zij vereiste minder vingerkracht en gaf mijn stem altijd de ruimte om te klinken. Op de gitaar begreep ik beter wat ik met de akkoorden moest doen, het was simpel, of ik maakte het simpel, het was tenslotte 'mijn instrument' niet, het was maar een soort zijdelings vermaak. Op de piano wist ik niet zo goed raad met de akkoorden, er waren er te veel mogelijkheden en te veel weet van onwetendheid.

De gitaar vormde ook een nieuw hoofdstuk. Een hoofdstuk van puberen, van Barak – die mij gitaarles gaf en in mijn leven kwam als vriend van vrienden van Shuki – dat wil zeggen, behorend tot de wereld van 'de groten' – en later mijn eerste vriendje werd, vier jaar ouder dan ik – en het verschil tussen vijftien en negentien is groot!! Een hoofdstuk van roken en blowen, van kennismaking met nieuwe muziek, van open rebellie tegen de volwassenen, van losbandigheid, van veel verwarrende emoties, van verboden avonden in straathoeken – omdat mijn moeder het niet toestond dat Barak en ik samen onder een dak verbleven, deden we het maar zonder dak…

De gitaar bleef een belangrijke rol spelen, zingen en begeleiden, uren en uren en dagen en avonden met Chamutal en Yael. ‘Akkoorden uitzoeken’ werd een centrale bezigheid, ik had geen leraar meer nodig, ik leerde mijzelf luisteren en uitzoeken. Beatles, Beatles, en Beatles. Veel alleen op mijn kamer, met de koffer-platenspeler, op de grond, ernaast hurken, de arm met de naald elke paar regels optillen... Ook tijdens de uitstapjes naar de Sinai was er altijd wel een of andere hippie met een gitaar. De piano stond maar te wachten en ik speelde er soms op en soms niet, soms was ik thuis en vaak niet. Mijn middelbareschooltijd kwam tot een dramatisch einde toen ik naar de Sinai ‘vluchtte’, geen eindexamen deed en toch een aantal vakken mocht afronden volgens een speciale regeling. ‘Ze’ begrepen niet wat er met mij aan de hand was, ik zelf ook niet. Maar het was hun vak, ze hadden toch gemoeten...

Wanneer niks meer werkte ben ik bij mijn vader gaan wonen. Ik sliep in een soort hok dat ooit balkon was geweest. Het appartement was eigenlijk te klein voor een extra bewoner, maar ze wilden mij niet afwijzen. Het was allemaal erg onprettig en kwam niemand gelegen uit. ‘s Nachts zou ik uren naar muziek luisteren, huilen, aan sterke emoties lijden die mij meesleurden naar donkere dieptes. Ik begreep de leefregels van het gezin niet en het gezin begreep mij ook niet. De communicatie was slecht, zij wisten geen raad met mij en dat was geheel wederzijds. Af en toe speelde ik op de huispiano – een bruine Yamaha waar ik niet zo van hield - ik ging zelfs tijdelijk terug naar mevrouw ‘Bragim’ -  het was mij niet eens duidelijk of ik er überhaupt mocht spelen, ik was nergens zeker van, ik begreep het niet, ik wist het niet, ik had het niet geleerd.

De gitaar was altijd bij me.

Bij gebrek aan een betere oplossing hebben ze voor mij een kamer gehuurd. Alleen. Een slechte ervaring die faliekant faalde en een bijna fataal einde kende. Daarom was ik, een paar maanden later toen ik in legerdienst moest, weer teruggegaan naar mijn vader. Deze tweede kans eindigde voor de tweede keer bijna fataal en werd gevolgd door een ernstig gesprek en mijn uitzetting opnieuw naar een kamer, in de stad, op Queen Helena straat, dit keer met huisgenoten. In die tijd heb ik, via Barak, Shellie, de kleine zangeres, leren kennen en in mijn kamer hebben we met zijn drieën veel lange nachten en korte dagen met blowen, zingen en spelen doorgebracht, vele surrealistische zonsopgangen beleefd, eindeloze filosofische gesprekken over leven en dood gevoerd en ga zo door. Dit alles hoort tot de gitaartijd. Zo nu en dan zouden we naar mijn moeder toe gaan om, terwijl zij op haar werk zat, oefensessies met de goede oude Schimmel te houden.

Gedurende mijn zogenaamde legerdienst die gepaard ging met frequente afwisseling van baan en van basis, divers bijzonder verlof en regelmatige uitstapjes naar de Sinai, was ik piano–loos. Na afloop daarvan ben ik in Bet-Hakerem gaan samenwonen met Alain, mijn veel te jonge Russische vriendje en ben toen eigenaar geworden van een zeer oude zwarte piano. De Schimmel werd een van de dingen die het de moeite waard maakten om zo nu en dan bij mijn moeder langs te gaan.

Op mijn oude-nieuwe piano probeerde ik voor het eerst te improviseren, een nieuw hoofdstuk te beginnen, mijzelf te hervinden, iets uit te vinden. Mijn toenmalige therapeut beweerde dat zoiets als ‘kan niet improviseren’ niet bestond. Wat wist hij ervan? Het werkte niet. Of misschien een beetje toch wel. Want bij improvisatie bestaat er geen juist en onjuist, toch? Ik zou tot drie uur in de middag slapen en opstaan met een troosteloze gedeprimeerdheid die ik probeerde te bedwingen, of anders van me af te schudden door een eind te gaan hardlopen in het ‘Jeruzalem bos’. Maar de sigaretten wonnen het van mij.

Dit alles was het ook niet voor mij; het vriendje niet, het appartement niet, die piano niet, die therapeut niet en ook deze rare vorm van improvisatie niet. Ik (her)vond mijzelf niet en ben dan maar op reis naar het buitenland gegaan - want zo deden anderen het toch ook? De piano ging tijdelijk naar Shuki die toen nog mijn broer was, samen met een hondje, Blues genaamd, dat ik kort daarvoor had geadopteerd. Ik ging naar Londen – aanvankelijk zat ik bij familie van mijn vader maar algauw kwam ik op allerlei plekken die ik mij maar gedeeltelijk kan herinneren en waarvan ik het merendeel misschien het liefst vergeet. Dat laatste is met name waar wat mijn volgende halte betreft, Parijs, waar ik twee maanden ben gebleven. Toen ik terugkwam van dit vreemde avontuur, redelijk verward – Shuki probeerde te helpen, hij was ook de enige die echt met mij praatte en mij enigszins te probeerde kalmeren – ben ik weer les gaan nemen bij mevrouw ‘Bragim’, deed toelatingsexamens voor het conservatorium, werd aangenomen en ben student geworden.

In mijn eerste studiejaar woonde ik weer bij mijn moeder en speelde op de Schimmel. Alles leek weer bij het oude; ik woon thuis, mijn moeder is er, ik speel, ik oefen, zij moet leren omgaan met het feit dat ik geen kind meer ben en probeert wat minder aan mijn kop te zeuren, we maken ruzie hoe dan ook. In dat jaar speelde ik een aantal Preludes en Fuga’s van Bach, Lieder ohne Worte van Mendelssohn en de ‘Tempest’ sonate van Beethoven. Ik zit op de zwarte pianokruk in mijn pyjama, ziek met hoge koorts en speel het derde deel in drie achtsten. De eindeloze herhalingen, de schommelingen tussen schijnbaar op elkaar lijkende mineur-harmonieën die je maar steeds opnieuw verassen met hun onvoorspelbare wendingen en de plekken waar ze je heen slepen... Ik krijg een visioen, een soort ijldroom waarvan het mij duidelijk is dat hij uit deze betoverde muziek komt: ik zie een fabriek, een lopende band, machines die onophoudelijk werken, produceren, hun ritme is het ritme van het sonatedeel, ze maken snoep in alle mogelijke maten en kleuren. Alles is zoet, alles is kleurrijk, de kleuren flitsen voorbij en wisselen elkaar af. De arbeiders zijn kinderen, misschien ook in pyjama, net als ik…

Tijdens mijn studiejaren genoot ik blijkbaar een hogere status - eerst op kamers in Abu-Tur en daarna met man en kind in Neve Sha’anan – en de Schimmel verhuisde met mij mee terwijl mijn moeder de oude piano nam, de piano die ik in mijn pre-studententijd voor een paar sjekel kocht - een enigszins honky tonk-achtig schepsel, met een harde en onvaste klank, bejaard, beverig, bijna stervende, die inderdaad ook ineens het leven liet. Er bleek een scheur te zitten in de klankbodem, een ongeneselijke ziekte voor een piano van zijn leeftijd. Hoe het ook zij, mijn Schimmel was bij me heel mijn studietijd en sierde elk appartement waar hij in stond.

Het huis in Abu-Tur was zo smaakvol ingericht en vormgegeven, het uitzicht op Oost Jeruzalem zo adembenemend en de tuin zo groen en verzorgd dat de Schimmel zich daar helemaal thuis voelde, tussen edele schepselen als hijzelf. In dezelfde periode verliet mevrouw Bragim ineens het land en ik ben gaan les nemen bij Beni Oren. Een welkome verandering van honderdtachtig graden. Ineens werd er gesproken over m u z i e k, ineens was er inspiratie, gesprekken over de betekenis van muziek, over de componisten, de innerlijke wereld van de stukken, de manier waarop je klank produceert. Het was een verademing. Ik hield van Beni. In Abu-Tur gingen de Schimmel en ik de uitdaging aan van de tweede Toccata van Bach, van Brahms en van Beethoven. Beni liet het daar niet bij en bleef mij uitdagen met complexe stukken.

Ik deed Tai-Chi en Zen meditatie, probeerde ook karate en at veganistisch. Het thema oefenen bleef ingewikkeld. Er waren periodes dat ik de nodige twee uur per dag haalde en andere waarin ik het helemaal niet haalde; periodes waarin ik mijzelf vond in een of ander plek met vrienden, vaak in Tel-Aviv, periodes waarin ik verzonken zat in mijn wanhoop, in mijn haar-uitrek tic, in mijn zelfhaat, in blowen en het nuttigen van diverse stoffen, in kettingroken en het drinken van weer andere stoffen. En mijn zelfhaat sloop in mijn pianospel - ik wist niet hoe ik wilde spelen, wat ik wilde zeggen, wie ik achter de piano was - wat mij wederom frustreerde en nog meer boosheid en haat veroorzaakte. Maar de periodes waarin ik wel oefende, mediteerde en gezond at waren van de mooiste in mijn leven. De sfeer in Abu-Tur was betoverend en ik voelde mij overspoeld door inspiratie, een staat waar Beni, Bach en Brahms sterk aan bijdroegen. Zo nu en dan kon ik de schoonheid aanvaarden.

Dit dubbele leven kreeg een scherpe wending toen ik zwanger werd. Via Barak leerde ik een enigszins aparte Nederlandse jongen kennen. Ik vond hem aardig en grappig met zijn gekleurde plastic oorbel, zijn roze T-shirt en een enkel haarplukje dat over zijn bruine oog hing. Na iets meer dan een jaar en diverse reizen naar Griekenland, Nederland en Portugal was ik zwanger van hem geraakt en mijn leven veranderde voor altijd.

Gert kwam naar Israël en wij verhuisden naar een driekamerappartement in Neve-Sha’anan, een prachtige plek op zichzelf, heel anders dan Abu-Tur weliswaar, maar er was een baby op komst en we moesten praktisch zijn. De Schimmel kreeg daar zijn eren plek juist in de slaapkamer waar meer ruimte was en ook meer privacy om te oefenen. Daar begon ik ook les te geven aan mijn eerste leerlingen, de buurmeisjes. Mijn wilde leven kwam in een keer tot stilstand. Mijn onrust leek ineens verdwenen - het is mij nog steeds niet helemaal duidelijk hoe dat precies kon. Daarmee stopte ik ook met alle ongezonde gewoontes, maar raakte voor mijn gevoel ook mijn inspiratie een beetje kwijt. Heel mijn energie ging naar het kind dat in mij groeide. Ik werd moeder, huisvrouw, vrienden begrepen het niet, Shuki hield afstand. Mijn ouders wisten er eerst geen raad mee, waren bezorgd, wezen het af om uiteindelijk de situatie en het kind te omarmen. Zelf was ik zo ontzettend blij met deze zwangerschap dat ik een muur om mij heen bouwde met als enige doel die te beschermen, en net als die muur werd ik sterk, hard, strikt, strak, compleet inflexibel.

Tegelijkertijd met de zwangerschap en de golf van pragmatisme die over mij heen stortte, besloot ik, besloten we, er is besloten - nadat ik het niet zo heel goed deed bij het overgangsexamen van het tweede naar het derde jaar - om over te stappen naar de studierichting muziekonderwijs. Voorheen paste deze richting totaal niet bij mijn zelfbeeld, zo anti-instituut als ik was, zonder middelbareschooldiploma, ik ging toch studeren alleen omdat ik niks beter wist en ineens zo’n brave studie doen? En toch leek mij dit op dat punt praktischer; zo was de druk wat oefenen betreft wat minder en kon ik toch verder met de studie. Ook ben ik overgestapt van Beni naar Talma Cohen, een goede beslissing, alleen jammer vond ik om de inspirerende Beni kwijt te raken. Talma was een goede docent, meer praktijkgericht, maar zeker niet inspiratieloos. Ik heb veel van haar geleerd, het was een beetje alsof ik terugging naar mijn kinderjaren piano juf, Rachel, ja, ook Talma woonde in mijn oude wijk, de cirkel was eventjes rond.
Bij Talma speelde ik Bach, Schubert en Mozart, kreeg ik betere techniek en haalde wat kennishiaten in.

Tijdens mijn conservatorium studie en mijn eerste jaren als jonge moeder begon de Intifada. Ilay ging al naar de kinderopvang van de twee lieve oma’s Ester en Adina aan het begin van onze straat. Hij had vriendjes en vriendinnetje met wiens moeders ik ook bevriend raakte, Gert werkte in de dierentuin, ik studeerde en gaf pianoles, mijn ouders pasten op. Een vrij geregeld leventje. En ineens, de Intifada. De Palestijnen gooiden met stenen. Wat mij betreft was het een duidelijk signaal: tot hier, we willen de bezetting niet meer, ga uit onze gebieden. Als het aan mij lag was ik meteen weg. Ik ging zelfs niet meer naar de oude stad. Deed iedereen dat maar en had de geschiedenis er heel anders uitgezien. Het einde van mijn studie was in zicht en wij kregen het idee om voor een of twee jaar naar Nederland te gaan; ik was toch niet voor niks met een Nederlander getrouwd? dacht ik bij mijzelf. Er kroop ook angst bij mij naar binnen om mijn kleine jongen: weet jij veel of een of ander doorgedraaide Palestijn - die mijn politieke opvattingen toevallig niet kent - in razernij de dichtstbijzijnde kinderopvang niet zal binnenstormen?

Op mijn eindexamen kreeg ik een mooi cijfer. Ik speelde de eerste partita van Bach in Bes groot - een wonderlijk stuk – sonate van Mozart in F groot, een romantisch stuk, misschien het impromptu in Ges groot van Schubert, en een modern Israëlisch werk. Ik kreeg veel complimenten en ik geloof dat Beni, die tussen de examinatoren zat, mij vroeg of ik nu verder wilde richting uitvoerende musicus. Maar wij waren al half ingepakt, ons plan lag vast en begin augustus vlogen wij naar Amsterdam.

Onze spullen gingen voor een groot deel naar mijn moeder, waaronder natuurlijk de Schimmel. Langzamerhand bleek dat we na een jaar en ook na twee voorlopig niet terugkeerden. Tijdens onze jaarlijkse bezoeken haalde mijn vader ons op van het vliegveld en regelde verder ons verblijf. Mijn moeder wachtte met eten en de Schimmel wachtte dat we kwamen spelen. Zoals altijd kwam weer het bekende gezeur: kom, speel wat, de aanwezigen stilte opleggen, zich bemoeien met wie gaat er spelen en wat en onvrede uiten over het ‘gerommel’ van de kinderen… hoe ik toch iets van mijn creativiteit heb kunnen behouden is mij een raadsel.

Onze spullen stonden er te staan. Een deel namen we tijdens de verschillende bezoeken mee en een deel lag er, samen met mijn moeder, oud te worden in de blauwe speelgoedkast - dezelfde kast overigens waarvan Shuki, tijdens zijn enige bezoek na het overlijden van onze moeder, zei, dat hij vrijwel zeker wist dat de oude zware hamer, met de roodgeverfde handvat nog precies op dezelfde plek erop zou liggen. Bij moeder verandert er niks, nooit, zei hij. Hier is het thuis. Hier blijft alles hetzelfde, hier kan ik altijd terecht. En ik vroeg mij alleen maar af waarom hij dan niet terecht was. Niet toen ze ziek werd, niet toen ze op sterven lag en ook niet toen ze overleed. Alleen aan het einde van de Sjiva is hij even langsgekomen – precies zoals bij onze vader, op de laatste dag. Daar stond hij dan in de deuropening en ik herkende hem simpelweg niet. Ik zag een orthodoxe man met een zwarte Keppel en stond maar voor mij uit te staren. Ik kon niets bedenken totdat hij ineens zei: je herkent mij niet hé? En zijn stem spoelde alle vreemdheid in een keer weg.

Wekenlang was ik bezig het huis leeg te ruimen en al het nodige te regelen. De Schimmel - nadat Shuki hem samen met de rest van de inboedel afwees en beleefd heeft geweigerd hem mee te nemen – verhuisde zoals verteld naar Chamutal waar hij geduldig is blijven staan wachten op de grote reis, voor de derde keer in zijn leven, over zee.


© Nava Benyamini 2012 / 2017 - 2018

Oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven in 2012 toen de piano arriveerde.
In 2017 heb ik het verhaal naar het Nederlands vertaald. Ik werd verrast door de vele enthousiaste reacties van vrienden en bekenden in zowel Israël als in Nederland. In 2018 is het verhaal in het boek van mijn zoon en theatermaker, Ilay den Boer - Het beloofde feest -(Uitgever: J.M. Meulenhoff) verschenen.